Noodverlichting is verlichting die automatisch gaat branden zodra de netspanning uitvalt, zodat iedereen in een gebouw ook zonder stroom veilig de uitgang kan vinden. Denk aan een stroomstoring in een bioscoop, een vensterloos magazijn of een trappenhuis: zonder noodverlichting is het daar binnen een tel volslagen donker. Noodarmaturen werken op een eigen accu of op een centrale batterij, en nemen het over op het moment dat het gewone licht het laat afweten.
Veel mensen denken bij noodverlichting alleen aan het groene bordje met het rennende poppetje boven de deur. Dat bordje hoort er inderdaad bij, maar het is maar één van de soorten. In Nederland is noodverlichting in veel bedrijfspanden en openbare gebouwen verplicht, en horen er vaste keurings- en onderhoudsmomenten bij. In dit artikel leest u wat noodverlichting precies is, welke soorten er zijn, waar het verplicht is en hoe u het werkend houdt.
Inhoudsopgave
- Wat is noodverlichting?
- Welke soorten noodverlichting zijn er?
- Hoe werkt noodverlichting?
- Waar is noodverlichting verplicht?
- Welke eisen gelden voor noodverlichting?
- Keuring en onderhoud van noodverlichting
- Veelvoorkomende problemen met noodverlichting
- Noodverlichting laten installeren of zelf doen?
Wat is noodverlichting?
Noodverlichting is het geheel van armaturen dat bij spanningsuitval gaat branden of juist blijft branden. Het doel is drieledig: mensen veilig naar buiten laten vluchten, paniek voorkomen in donkere ruimtes, en gevaarlijk werk veilig kunnen afronden, bijvoorbeeld bij een draaiende machine.
Vergelijk het met het reservewiel in uw auto. U hoopt het nooit nodig te hebben en u kijkt er maanden niet naar om, maar op het moment dat het erop aankomt moet het in één keer werken. Precies daarom stelt de wetgever niet alleen eisen aan het ophangen van noodverlichting, maar ook aan het onderhoud ervan.
Noodverlichting is iets anders dan een noodstroomvoorziening. Een aggregaat of noodstroominstallatie houdt (een deel van) het pand draaiend; noodverlichting doet maar één ding: genoeg licht geven om veilig te kunnen handelen. Juist door die beperkte taak kan een noodarmatuur het op een kleine accu geruime tijd volhouden.
U komt noodverlichting vaker tegen dan u denkt. Het groene bordje boven de nooduitgang van de supermarkt, de armaturen langs de trap in een parkeergarage, het zwakke licht dat in een hotelgang blijft branden: het hoort allemaal bij dezelfde voorziening. Dat het zo onopvallend is, is precies de bedoeling. Noodverlichting hoort pas op te vallen op het moment dat al het andere licht wegvalt.
Welke soorten noodverlichting zijn er?
Onder de koepel noodverlichting vallen verschillende soorten, elk met een eigen taak. Vakmensen onderscheiden vluchtrouteaanduiding, vluchtwegverlichting, anti-paniekverlichting en verlichting voor werkplekken met verhoogd risico.
| Soort | Wat doet het? | Waar hangt het? |
|---|---|---|
| Vluchtrouteaanduiding | Wijst met een groen pictogram de richting van de uitgang | Boven deuren en op beslispunten in de route |
| Vluchtwegverlichting | Verlicht de vluchtroute zelf, zodat u ziet waar u loopt | Langs gangen, trappen en bij uitgangen |
| Anti-paniekverlichting | Geeft basislicht in grotere open ruimtes en voorkomt paniek | Zalen, hallen, kantoortuinen, parkeergarages |
| Werkplekverlichting bij verhoogd risico | Geeft licht om gevaarlijk werk veilig af te ronden | Bij machines, grootkeukens, technische ruimtes |
Het onderscheid tussen de eerste twee zorgt voor de meeste verwarring, ook in teksten van leveranciers. De vluchtrouteaanduiding is het groene bordje met het rennende poppetje en de pijl: het wíjst de weg, maar verlicht de route niet. De vluchtwegverlichting doet het omgekeerde: die maakt de route zelf zichtbaar, maar wijst niets aan. In de praktijk heeft een pand ze allebei nodig. Het bordje vertelt waarheen, de verlichting laat zien hoe u er komt.
Voor de groene bordjes gelden vaste afspraken: sinds 2013 zijn de groen-witte pictogrammen volgens NEN-EN-ISO 7010 de standaard, met de rennende figuur en de pijl.
Anti-paniekverlichting komt u tegen in grotere open ruimtes. Valt daar het licht uit, dan ontstaat al snel gedrang, omdat niemand meer weet waar de uitgang is. Een beetje basislicht voorkomt dat. In de vakpraktijk wordt hiervoor vaak een grens aangehouden van ruimtes vanaf circa 60 m².
Hoe werkt noodverlichting?
Elk noodarmatuur heeft een eigen stroombron nodig, anders zou het bij een stroomstoring net zo donker zijn als de rest van het pand. Dat kan op twee manieren.
De meest gebruikte oplossing is decentraal: elk armatuur heeft een eigen accu aan boord. Zolang er netspanning is, houdt de vaste elektrische installatie die accu geladen. Valt de spanning weg, dan schakelt het armatuur vanzelf over op de accu. Moderne noodarmaturen zijn vrijwel altijd uitgevoerd met led: zuinig, compact en met een lange levensduur, zodat een kleine accu volstaat.
De tweede manier is centraal: één batterijkast of noodstroomunit voedt alle noodarmaturen in het pand. Die opzet ziet u vooral in grotere gebouwen, omdat het accu-onderhoud dan op één plek gebeurt in plaats van bij tientallen losse armaturen.
Verder is er verschil in schakeling. Continu geschakelde armaturen branden altijd; dat geldt bijvoorbeeld voor de verlichte vluchtrouteaanduiding, want het bordje moet ook zichtbaar zijn als er niets aan de hand is. Niet-continu geschakelde armaturen blijven normaal uit en springen alleen aan bij spanningsuitval.
Wat betekent dat kleine lampje op het armatuur? (extra uitleg)
Op de meeste noodarmaturen zit een klein controlelampje, meestal groen. Dat geeft aan dat het armatuur netspanning heeft en de accu laadt. Zelftestende armaturen (autotest) gaan een stap verder: die testen zichzelf periodiek en waarschuwen met een kleur of knippercode als de accu of de led-unit vervangen moet worden. Handig, maar let op: zo'n zelftest vervangt de verplichte periodieke controle door een deskundige niet.
Waar is noodverlichting verplicht?
Noodverlichting is in Nederland verplicht in veel gebouwen waar mensen werken of samenkomen, zoals kantoren, winkels, scholen, horeca en zorggebouwen. De verplichting komt uit twee richtingen: de bouwregelgeving (het Besluit bouwwerken leefomgeving, de opvolger van het Bouwbesluit) en de Arbowetgeving, die de werkgever verantwoordelijk maakt voor veilige vluchtroutes voor het personeel.
Een bekend ijkpunt uit de bouwregelgeving: een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen moet noodverlichting hebben, net als bijvoorbeeld besloten ruimtes waar een vluchtroute doorheen voert en liftkooien.
Voor een gewone woning geldt geen plicht. In woongebouwen met gemeenschappelijke trappenhuizen en gangen, bijvoorbeeld bij een VvE, kan dat anders liggen; dat hangt af van het gebouw, de vergunning en de afspraken met de brandweer.
En een klein bedrijfspand zonder publiek? Daar is de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) van de werkgever vaak bepalend: volgt daaruit dat personeel bij stroomuitval veilig moet kunnen vluchten, dan volgt de noodverlichting vanzelf mee. Denk aan een werkplaats met machines, een keuken met frituur of een magazijn zonder daglicht. In zulke ruimtes is het risico bij plotseling donker groter dan in een kantoor met ramen, en dat weegt mee.
Kort samengevat: hoe groter het pand en hoe meer mensen erin, hoe eerder noodverlichting verplicht is. Wie het precies wil weten, kijkt naar drie dingen: de gebruiksfunctie van het gebouw, het aantal personen dat er tegelijk kan zijn, en wat er in de RI&E of de gebruiksvergunning staat. Bij twijfel geeft de gemeente of de brandweer uitsluitsel; bij een controle of ontruimingsoefening is ontbrekende noodverlichting een van de eerste punten die opvallen.
Welke eisen gelden voor noodverlichting?
De technische eisen staan grotendeels in de Europese norm NEN-EN 1838. Die schrijft per soort voor hoeveel licht er minimaal moet zijn, hoe snel en hoe lang. Omdat normteksten niet vrij toegankelijk zijn, noemen wij hier de waarden zoals ze in de vakpraktijk worden gehanteerd.
- Vluchtwegverlichting: minimaal 1 lux op de vloer, gemeten op de middenlijn van de vluchtroute.
- Anti-paniekverlichting: minimaal 0,5 lux in het kerngebied van de open ruimte.
- Werkplekken met verhoogd risico: fors meer licht; als vuistregel 10% van de normale verlichtingssterkte, met een ondergrens van 15 lux.
- Brandduur: minimaal 60 minuten op de accu.
- Inschakeltijd: de bouwregelgeving hanteert een grens van 15 seconden na het wegvallen van de spanning; de norm vraagt daarnaast dat een armatuur binnen 5 seconden de helft en binnen 60 seconden de volledige lichtopbrengst levert.
Eén lux klinkt als bijna niets, en dat klopt: het is schemerlicht. Maar voor ogen die al aan het donker gewend zijn, is het genoeg om een gang, een trap en een deurklink te onderscheiden. Noodverlichting hoeft geen kantoorverlichting te vervangen; het moet u veilig buiten krijgen.
Naast de lichtwaarden stelt de norm ook eisen aan de plaatsing. Vluchtrouteaanduiding moet vanaf elke plek op de route zichtbaar zijn: boven elke nooduitgang, bij elke richtingsverandering en op elk punt waar u moet kiezen tussen twee gangen. Extra aandacht gaat naar plekken waar het risico groter is, zoals trappen en niveauverschillen; daar hoort de verlichting het trapgat en de eerste en laatste trede duidelijk zichtbaar te maken.
Hoeveel armaturen een pand precies nodig heeft, volgt uit een lichtberekening: de projectering. Daarin wordt per ruimte bepaald waar de armaturen hangen en of de vereiste luxwaarden op de vloer worden gehaald. Zo'n berekening voorkomt zowel te weinig licht als onnodige armaturen.
Keuring en onderhoud van noodverlichting
Noodverlichting ophangen is stap één; het werkend hóuden is de echte opgave. Een accu veroudert ongemerkt, en een armatuur dat op netspanning keurig licht geeft, kan bij een echte stroomstoring binnen een minuut doven. Dat het lampje brandt, zegt dus niets over de accu.
Daarom geldt in de praktijk een vast onderhoudsritme:
- Korte visuele controle, bijvoorbeeld maandelijks: hangen alle armaturen er goed bij, branden de controlelampjes en zijn de pictogrammen schoon en leesbaar? Dit kunt u zelf doen.
- Jaarlijkse controle door een deskundige: de armaturen worden getest op werking én op brandduur, dus of de accu de volledige duur haalt. Gebreken, accuvervangingen en testresultaten horen in een logboek; verzekeraars en de arbeidsinspectie kunnen daarnaar vragen.
- Accu's op tijd vervangen: fabrikanten rekenen doorgaans op een accu-levensduur van ongeveer vier jaar; de opgave van de fabrikant is daarbij leidend.
Zo'n jaarlijkse controle wordt vaak gecombineerd met een bredere periodieke inspectie van de elektrische installatie, bijvoorbeeld volgens NEN 3140. Dat scheelt een extra bezoek en de bevindingen komen in één rapport. Wilt u weten hoe uw complete installatie ervoor staat, dan is een installatiecheck een logisch startpunt.
Hoe zo'n jaarlijkse test er in de praktijk uitziet? De monteur onderbreekt de netspanning van de armaturen, waarna ze op hun accu moeten overschakelen en de volledige brandduur moeten volmaken. Daarna wordt gecontroleerd of elk armatuur weer netjes gaat laden. Armaturen die de test niet halen, krijgen een nieuwe accu of worden vervangen, en alles wordt genoteerd in het logboek.
Wie de jaarlijkse controle uitvoert, moet er verstand van hebben: de regelgeving spreekt van een deskundige, in de praktijk een installateur of inspecteur die hiervoor is opgeleid. Zelf regelmatig rondlopen mag en is verstandig, maar het vervangt de jaarlijkse test niet.
Veelvoorkomende problemen met noodverlichting
Ook noodverlichting zelf kan haperen. Dit zijn de situaties die in de praktijk het meest voorkomen.
Het controlelampje knippert of is uit
Een knipperend of gedoofd controlelampje wijst meestal op een accu aan het einde van zijn levensduur, of op een armatuur zonder voeding. Bij een zelftestend armatuur is de knippercode vaak zelfs een concrete foutmelding. Laat het armatuur nakijken; met een lege accu doet het bij een echte stroomstoring niets.
Laat het nakijken door onze elektricienHet groene vluchtroutebordje brandt niet meer
Een verlichte vluchtrouteaanduiding hoort continu te branden. Is het bordje donker, dan is de led-unit of de voeding defect, en voldoet het pand op dat punt niet meer. Dit is geen klusje om maanden te laten liggen, zeker niet in een pand met publiek.
Storing melden? Neem contact opNa een stroomstoring lijkt de noodverlichting leeg
Dat kan kloppen. Na een langere stroomuitval is de accu (deels) leeg en heeft hij tijd nodig om weer op te laden; fabrikanten geven daar een laadtijd voor op, vaak in de orde van een etmaal. Blijft een armatuur daarna zwak of dooft het snel, dan is de accu aan vervanging toe.
Twijfelt u? Wij denken graag meeNoodverlichting laten installeren of zelf doen?
Een los noodarmatuur ophangen lijkt eenvoudig, en er bestaan zelfs stekkerklare bordjes. Toch is noodverlichting in de praktijk werk voor een erkende elektricien, om twee redenen.
Ten eerste het ontwerp. Waar de armaturen moeten hangen, hoeveel er nodig zijn en hoeveel licht ze op de vloer moeten leveren, is rekenwerk. Een bordje op de verkeerde plek, of een gang met een donker gat halverwege, voldoet niet, ook al hangt er "iets".
Ten tweede de aansluiting. Vaste noodverlichting wordt op de installatie aangesloten, vaak als extra lichtpunt op de verlichtingsgroep, zodat het armatuur ook echt reageert op het wegvallen van precies die groep. Werk aan de vaste installatie laat u aan een erkende elektricien over. Een fout is hier geen lampje dat het niet doet, maar een voorziening die faalt op het moment dat het erom gaat.
Wilt u noodverlichting laten aanleggen, uitbreiden of vervangen, dan maken wij daar graag vrijblijvend een offerte voor. Ook het jaarlijkse onderhoud, inclusief logboek, kunnen wij voor u verzorgen.
Veelgestelde vragen
Wanneer is noodverlichting verplicht?
In veel gebouwen waar mensen werken of samenkomen: kantoren, winkels, scholen, horeca en zorginstellingen. De plicht volgt uit de bouwregelgeving, onder meer bij verblijfsruimtes voor meer dan 75 personen, en uit de Arbowetgeving, die de werkgever verantwoordelijk maakt voor veilige vluchtroutes. Voor een gewone woning geldt geen plicht.
Wat is het verschil tussen noodverlichting en vluchtwegverlichting?
Noodverlichting is de koepelterm voor alle verlichting die bij stroomuitval werkt. Vluchtwegverlichting is daar één soort van: de armaturen die de vluchtroute zelf verlichten. Daarnaast bestaan de vluchtrouteaanduiding (het groene bordje dat de richting wijst) en anti-paniekverlichting voor grote open ruimtes. Elk heeft een eigen taak; samen vormen ze de noodverlichting van een pand.
Hoe lang moet noodverlichting blijven branden?
Hoe vaak moet noodverlichting gekeurd worden?
De gangbare praktijk is een jaarlijkse controle door een deskundige, met tussendoor korte visuele checks, bijvoorbeeld maandelijks. Bij de jaarlijkse controle worden werking en brandduur getest en wordt het logboek bijgewerkt. Verzekeraars en de arbeidsinspectie kunnen naar dat logboek vragen.
Plan een inspectieMag je zelf noodverlichting ophangen?
Een los, stekkerklaar bordje ophangen kan, maar daarmee is een pand nog niet op orde. Het ontwerp (waar, hoeveel armaturen, hoeveel licht) en de aansluiting op de vaste installatie zijn werk voor een erkende elektricien, en de jaarlijkse controle vraagt om een deskundige. Zo weet u zeker dat de verlichting het doet op het moment dat het moet.
Vraag een offerte aan