Een hotelschakeling is een schakeling waarmee u één lamp vanaf twee verschillende plekken aan en uit kunt zetten. U doet het licht bijvoorbeeld onder aan de trap aan, en zet het boven weer uit. Precies zoals in een hotel: bij de deur aan als u binnenkomt, en bij het bed uit als u gaat slapen, zonder in het donker terug te lopen naar de deur. Aan die hotelgewoonte dankt de schakeling haar naam.
Onthoud vooral dit ene punt, want daar zit de meeste verwarring: in zijn gewone vorm met twee bedieningsplekken is een hotelschakeling precies hetzelfde als een wisselschakeling. Het zijn twee namen voor dezelfde schakeling. "Hotelschakeling" is de alledaagse naam, "wisselschakeling" is hoe een elektricien het noemt. U komt de schakeling tegen in vrijwel elke woning: op de trap, in de gang, in de slaapkamer en in kamers met twee deuren. De schakelaars horen bij het schakelmateriaal op uw verlichtingsgroep.
Een hotelschakeling is een schakeling waarmee u één lichtpunt vanaf twee plaatsen bedient. Op elke plek zit een schakelaar, en met allebei kunt u het licht aan- én uitzetten, ongeacht in welke stand de andere schakelaar staat.
Dat klinkt vanzelfsprekend, maar met een gewone schakelaar lukt het niet. Een gewone schakelaar kent maar twee standen, aan en uit, en werkt vanaf één plek. Wilt u het licht vanaf twee kanten kunnen bedienen, dan heeft u twee speciale schakelaars nodig die samenwerken: wisselschakelaars.
De naam komt uit de hotelwereld. In hotelkamers en lange gangen wilde men het licht bij de deur kunnen aandoen en bij het bed of aan het eind van de gang weer uit. Handig, en inmiddels zo gewoon dat we het thuis overal terugzien: boven en onder aan de trap, aan weerskanten van een lange gang, en in een slaapkamer bij de deur en bij het bed.
Het korte antwoord: er is geen verschil. Een hotelschakeling met twee bedieningsplekken is exact dezelfde schakeling als een wisselschakeling. De twee woorden beschrijven hetzelfde, alleen vanuit een andere hoek.
Online wordt weleens gesuggereerd dat het twee verschillende systemen zijn, maar dat klopt niet. "Wisselschakeling" is de vaktechnische naam en verwijst naar de wisselschakelaars die de schakeling gebruikt. "Hotelschakeling" is de alledaagse naam en verwijst naar de plek waar het vroeger opviel: het hotel. Onder de motorkap is het één en hetzelfde.
Dezelfde verwarring speelt bij de schakelaar zelf. In de winkel ziet u soms een "hotelschakelaar" liggen. Dat is geen apart soort schakelaar: het is gewoon een wisselschakelaar, soms met een klein lampje in de wip. U hoeft dus niet te zoeken naar iets bijzonders. Wie een wisselschakeling wil, koopt wisselschakelaars, en die doen precies wat een "hotelschakelaar" belooft.
De verwarring loopt pas echt op bij méér dan twee plekken. "Hotelschakeling met 3 schakelaars" is een veelgezochte term, maar zo'n schakeling is technisch iets anders: dan komt er een kruisschakelaar bij. Daarover verderop meer.
Het geheim zit in de wisselschakelaar. Waar een gewone schakelaar twee aansluitklemmen heeft, heeft een wisselschakelaar er drie: één gemeenschappelijke klem (de "wortel") en twee wisselcontacten. Fabrikanten leveren de wisselschakelaar standaard met die drie klemmen. De schakelaar verbindt de wortel telkens met één van de twee wisselcontacten, en wisselt daartussen als u hem omzet.
Tussen de twee schakelaars lopen twee draden: de wisseldraden (ook wel correspondentiedraden). U kunt de twee schakelaars zien als twee wegwijzers op één route. Wijzen ze allebei dezelfde kant op, dan is de weg naar de lamp doorlopend en brandt het licht. Zet u er één om, dan wijst die een andere kant op, breekt de route, en gaat het licht uit. Zet u vervolgens de ándere om, dan sluiten de wegwijzers weer op elkaar aan en brandt het licht opnieuw.
Daarom kantelt élke schakelaar de toestand: van aan naar uit, of van uit naar aan. Het maakt niet uit welke van de twee u gebruikt, en het maakt niet uit in welke stand de andere staat. Dat is precies het comfort van een hotelschakeling.
Het aansluitschema is overzichtelijker dan het lijkt. De fase (de bruine draad) komt vanuit uw verlichtingsgroep in de groepenkast en gaat naar de gemeenschappelijke klem van de eerste wisselschakelaar. Vanaf de twee wisselcontacten van die schakelaar lopen twee wisseldraden naar de twee wisselcontacten van de tweede schakelaar. Vanaf de gemeenschappelijke klem van de tweede schakelaar gaat een schakeldraad naar het lichtpunt. Zo is de kring rond.
Let goed op de nuldraad, want daar gaat het online vaak mis. De blauwe nul gaat rechtstreeks naar de lamp en loopt niet door de schakelaars. Alleen de fasekant (de bruine fase, de wisseldraden en de schakeldraad naar de lamp) wordt geschakeld. Wie de blauwe nuldraad als wisseldraad gebruikt, maakt een onveilige en foutieve installatie: blauw is voorbehouden aan de nul, en de wisseldraden voeren fasespanning.
Een wisselschakelaar heeft 3 klemmen: 1 gemeenschappelijke klem (de wortel) en 2 wisselcontacten. De aarde (geel-groen) gaat rechtstreeks naar een metalen armatuur en is hier weggelaten voor de duidelijkheid.
Voor de aansluiting van de losse schakelaar zelf (welke klem waar) leest u meer bij schakelaar aansluiten. De verlichtingsgroep hoort beveiligd te zijn met een installatieautomaat, meestal een 16 A-automaat, met een aardlekbeveiliging voor de groep. In de praktijk loopt vanaf de groepenkast tot de centraaldoos 2,5 mm²-draad; vanaf de centraaldoos gaat de schakeldraad verder in 1,5 mm², meestal de zwarte ader.
Hoeveel draden u nodig heeft, hangt af van hoe de kabels lopen. Tussen de twee schakelaars zijn het er twee (de wisseldraden). Daarnaast heeft u de fase naar de eerste schakelaar, de schakeldraad naar de lamp en de nul naar de lamp. In de praktijk trekt een installateur daarom vaak een kabel met meer aders, zodat er ruimte is voor de nul en een eventueel controlelampje op beide plekken.
Wilt u het licht niet vanaf twee, maar vanaf drie of meer plekken bedienen, dan blijven de twee wisselschakelaars aan het begin en het eind staan, en komt er in het midden een kruisschakelaar bij. Dit is wat mensen bedoelen met een "hotelschakeling met 3 schakelaars": het is eigenlijk een kruisschakeling.
Een kruisschakelaar heeft vier aansluitklemmen in plaats van drie. Hij zit tussen de twee wisseldraden in en "kruist" ze in één van zijn twee standen. Daardoor kantelt ook dit middelste punt de toestand van de lamp, net als de twee buitenste schakelaars. Wilt u vanaf vier plekken bedienen, dan zet u er een tweede kruisschakelaar bij, tussen de eerste kruisschakelaar en de laatste wisselschakelaar. De vuistregel: voor elk extra bedieningspunt boven de twee komt er één kruisschakelaar bij.
2 punten
2 wisselschakelaars (elk 3 klemmen). De twee wisseldraden lopen van de ene naar de andere.
3 punten
2 wisselschakelaars + 1 kruisschakelaar (4 klemmen). De kruisschakelaar wisselt de twee draden in het midden.
veel punten
Drukknoppen (onbeperkt) + 1 impulsrelais. Dunne stuurdraden tikken parallel op één relais in de groepenkast.
Bij een wissel- of kruisschakeling loopt een keten van wisseldraden dóór elk bedieningspunt: elk extra punt is een kruisschakelaar erbij. Bij een impulsschakeling tikken alle drukknoppen met dunne stuurdraden op één relais, zodat u vrijwel onbeperkt knoppen bijzet zonder de keten te verzwaren. In alle drie loopt de nul (blauw) rechtstreeks naar de lamp; hierboven is de nul vereenvoudigd getekend.
Bij veel bedieningspunten wordt die keten van kruisschakelaars al snel onhandig, met veel draden die door de hele installatie lopen. Voor een groot trappenhuis, een lange bedrijfsgang of een kamer met vijf ingangen is er daarom een slimmer alternatief: de impulsschakeling, ook wel pulsschakeling genoemd.
Bij een impulsschakeling zijn alle bedieningspunten gewone drukknoppen (net als een belknop). Ze sturen samen één impulsrelais, ook wel pulsrelais of teleruptor. Elke druk op een willekeurige knop kantelt de stand van het relais: aan, uit, aan. Het mooie is dat de drukknoppen alleen het relais aansturen met een dunne stuurdraad en niet de lampstroom hoeven te dragen. U kunt er daardoor vrijwel onbeperkt drukknoppen bijzetten met eenvoudige bekabeling. Het impulsrelais zelf zit meestal in de groepenkast op de DIN-rail.
Het antwoord hangt af van één ding: vanaf hoeveel plekken u het licht wilt bedienen. Hieronder ziet u de drie oplossingen naast elkaar.
| Vanaf hoeveel plekken? | Oplossing | Wat heeft u nodig |
|---|---|---|
| 1 plek | Gewone (enkelpolige) schakelaar | 1 aan/uit-schakelaar (2 klemmen) |
| 2 plekken | Wisselschakeling (= hotelschakeling) | 2 wisselschakelaars (elk 3 klemmen) |
| 3 plekken | Kruisschakeling | 2 wisselschakelaars + 1 kruisschakelaar (4 klemmen) |
| 4 plekken | Kruisschakeling | 2 wisselschakelaars + 2 kruisschakelaars |
| Veel plekken | Impulsschakeling | Drukknoppen + 1 impulsrelais in de kast |
Een handige denklijn: tot en met een handvol plekken is een wissel- of kruisschakeling prima. Loopt het aantal punten op, of vermoedt u dat er later nog knoppen bijkomen, dan wint een impulsschakeling het op eenvoud en uitbreidbaarheid. Twijfelt u wat in uw situatie het handigst is? Dan denken wij graag met u mee, want de beste keuze hangt ook af van hoe de kabels nu al liggen.
In hotels en op donkere overlopen ziet u vaak een schakelaar met een klein lampje erin. Handig, maar let op: er zijn twee soorten lampjes die iets compleet anders doen, en die worden vaak door elkaar gehaald.
Een oriëntatielampje brandt zwak wanneer het licht úit is. Zo vindt u de schakelaar in het donker terug. Een echt controlelampje doet het omgekeerde: dat brandt wanneer het licht áán is, zodat u van een afstand ziet dat er ergens nog een lamp brandt (bijvoorbeeld in de kelder of de schuur).
Het verschil zit in de bedrading. Een echt controlelampje heeft een nuldraad bij de schakelaar nodig, want het lampje moet zien of er spanning op de lamp staat. Zit die nul er niet, dan kan het lampje alleen als oriëntatielampje werken. Daarom trekt een installateur bij nieuwbouw vaak alvast een extra ader naar de schakelaars: dan kan het later allebei. Wilt u een controlelampje in een bestaande hotelschakeling? Laat dan eerst controleren of de juiste draad aanwezig is.
De meeste storingen aan een hotelschakeling komen door een verkeerde of losse draad, of door het gebruik van het verkeerde type schakelaar. Omdat de fase over meerdere punten wordt geschakeld, kan één foute verbinding het hele comfort onderuithalen. Hieronder de klassiekers, met per geval wat er speelt.
Twijfelt u waar een storing vandaan komt? Ga dan niet zelf in de aansluiting sleutelen. Neem gerust contact op als u er niet uitkomt; wij zoeken de oorzaak veilig op.
Een hotelschakeling aansluiten is geen hogere wiskunde, maar het is ook geen klus om even snel te doen. U werkt aan de fase, en die staat onder spanning zodra de groep aan is. Een verkeerd aangesloten wisseldraad of een blauwe draad op de verkeerde klem is niet zomaar "een lamp die het niet doet", maar een risico op een schok of kortsluiting.
Wilt u het toch zelf proberen, dan geldt de gouden regel: maak de verlichtingsgroep eerst spanningsloos in de meterkast, en controleer met een spanningszoeker dat er echt geen spanning meer op staat. Houd de aderkleuren aan (blauw alleen voor de nul), en gebruik de juiste schakelaars: wisselschakelaars voor twee punten, een kruisschakelaar erbij voor drie.
Twijfelt u, of komt de schakeling in een nieuwe of verbouwde situatie? Dan laat u dit beter door een erkende elektricien doen. Dat is niet alleen veiliger, het voorkomt ook dat u later alsnog de installateur moet bellen omdat het licht maar vanaf één kant werkt. Wij leggen een hotelschakeling netjes aan, of kijken een bestaande na als er iets niet klopt.
Veelgestelde vragen
Er is geen verschil. Een hotelschakeling met twee bedieningsplekken is precies dezelfde schakeling als een wisselschakeling. "Wisselschakeling" is de vaktechnische naam (naar de wisselschakelaars die worden gebruikt), "hotelschakeling" is de alledaagse naam (naar het gebruik in hotels). Ze beschrijven hetzelfde: één lamp die u vanaf twee plaatsen aan en uit zet.
Twijfelt u welke schakeling u heeft? Wij kijken graag met u meeTussen de twee wisselschakelaars lopen twee wisseldraden. Daarnaast is er een fasedraad naar de eerste schakelaar, een schakeldraad van de tweede schakelaar naar de lamp, en een nuldraad die rechtstreeks naar de lamp gaat. In de praktijk trekt een installateur vaak een kabel met een ader extra, zodat er ruimte is voor de nul en een eventueel controlelampje. De blauwe nul gaat nooit door de schakelaars.
Vragen over uw bedrading? Stel uw vraagNee. Een gewone aan/uit-schakelaar heeft twee klemmen en werkt vanaf één plek. Voor een hotelschakeling heeft u wisselschakelaars nodig, met drie aansluitklemmen. Voor drie of meer plekken komt er een kruisschakelaar bij, met vier klemmen. Koopt u per ongeluk gewone schakelaars, dan werkt de schakeling niet.
Niet zeker welke schakelaar u nodig heeft? Neem contact opDat is technisch een kruisschakeling. Aan het begin en het eind zitten twee wisselschakelaars, en er tussenin komt een kruisschakelaar met vier klemmen. Die kruist de twee wisseldraden, waardoor ook dat middelste punt het licht kan aan- en uitzetten. Voor vier plekken zet u er nog een kruisschakelaar bij. Bij veel plekken is een impulsschakeling met drukknoppen vaak handiger.
Wilt u vanaf meerdere plekken bedienen? Wij denken graag meeU werkt aan de fase, dus veiligheid staat voorop: de groep eerst spanningsloos maken en controleren met een spanningszoeker. Voor een nieuwe of verbouwde installatie geldt bovendien de NEN 1010, en dan is het verstandig het door een erkende elektricien te laten doen. Twijfelt u over de staat van uw groepenkast of bedrading, doe dan eerst de gratis groepenkast-check.
Onzeker of alles nog klopt? Doe de gratis groepenkast-check