Een inschakelstroom is de korte, hoge stroompiek die door een apparaat loopt op het moment dat u het aanzet, vlak voordat de stroom terugzakt naar zijn normale niveau. In vaktaal heet dit de inrush current, en bij motoren de aanloopstroom. Die piek duurt vaak maar een paar milliseconden, maar kan een veelvoud zijn van de stroom die het apparaat daarna gebruikt.
U merkt inschakelstroom meestal pas als het misgaat. Een klassiek voorbeeld: u vervangt uw oude halogeenspots door zuinige LED, doet het licht aan, en meteen valt de hele groep uit. Vreemd, want LED gebruikt tóch veel minder. Toch klopt het, en de verklaring is precies dit verschijnsel. Op het inschakelmoment vragen veel LED-lampen samen even een enorme piek, en die piek is genoeg om de installatieautomaat te laten afslaan. Dit speelt in Nederlandse woningen en bedrijfspanden steeds vaker, juist door de overstap naar LED en schakelende voedingen.
Inschakelstroom is de stroompiek die kort optreedt wanneer u een apparaat inschakelt, en die daarna vanzelf terugzakt naar de normale bedrijfsstroom. Het is dus geen storing en geen defect, maar normaal gedrag dat bij het aanzetten hoort.
Denk aan een leeg glas dat u onder een wijd opengedraaide kraan houdt. Het eerste moment stroomt er veel water in, tot het glas vol is en de stroom terugvalt naar een klein straaltje. Zo werkt het ook elektrisch: op het inschakelmoment "vult" het apparaat zich met stroom, en daarna is er nog maar weinig nodig om te blijven werken.
De verwarring begint vaak bij de naam. In vakliteratuur en op datasheets staat meestal het Engelse inrush current. Bij een elektromotor spreekt men van aanloopstroom, omdat het gaat om de extra stroom die nodig is om de motor op gang te brengen. Het is telkens hetzelfde verschijnsel: een korte piek bij de start, gevolgd door een lagere, stabiele stroom.
Een inschakelstroom ontstaat omdat een apparaat op het startmoment even veel meer stroom "wil" dan wanneer het eenmaal draait. Er zijn twee hoofdoorzaken, en het helpt om ze uit elkaar te houden.
De eerste is capacitief. In LED-drivers en in schakelende voedingen (die zitten in bijna elke moderne adapter, computer en tv) zit een condensator. Een lege condensator gedraagt zich op het inschakelmoment heel even bijna als een kortsluiting: hij biedt nauwelijks weerstand en trekt daardoor kort een hoge laadstroom, tot hij "vol" is. Dat is de gulp uit de kraan-analogie.
De tweede is inductief. Een spoel, een transformator of een motor moet eerst een magnetisch veld opbouwen voordat hij normaal werkt. Bij een transformator kan de ijzeren kern op een ongunstig inschakelmoment kortstondig verzadigd raken, waardoor de stroom flink oploopt. Bij een motor "trekt" het stilstaande deel veel stroom tot hij op toeren is, vergelijkbaar met een fietser die vanuit stilstand hard moet aanzetten en daarna makkelijk doortrapt.
Kort gezegd: of het nu een condensator is die zich vult of een magnetisch veld dat wordt opgebouwd, in beide gevallen is de eerste vraag naar stroom groter dan de rest.
De piek is meestal een veelvoud van de normale bedrijfsstroom, maar hij duurt kort. Precies die combinatie (hoog én kort) maakt inschakelstroom zo lastig te doorzien: een gewone meter of uw energierekening ziet er weinig van, terwijl een automaat er wél op reageert.
Hoe groot precies, hangt sterk af van het apparaat:
Het verschil in duur is belangrijk. Bij LED en voedingen praten we over milliseconden: een flits die zo voorbij is. Bij motoren duurt de piek langer, omdat er echt massa in beweging moet komen. Datzelfde verschijnsel gedraagt zich dus anders in de tijd, en dat bepaalt mee welke oplossing past.
Inschakelstroom speelt vooral bij apparaten met condensatoren of met een spoel of motor. In een gewone woning of een bedrijfspand komt u het tegen bij:
Wat deze apparaten delen, is dat ze bij het opstarten even meer vragen dan tijdens normaal gebruik. Vroeger viel dat nauwelijks op. Een klassieke gloeilamp had geen noemenswaardige inschakelstroom, dus een lichtgroep vol gloeilampen gaf zelden problemen. Nu LED de standaard is, is verlichting eigenlijk een beetje "elektronica" geworden, met een driver en een condensator, en daarmee is de inschakelpiek een dagelijks onderwerp geworden.
Uw automaat slaat eruit omdat de inschakelpiek heel even boven zijn aanspreekwaarde uitkomt, ook al is het gewone verbruik van de groep laag. Dit is het punt waar de meeste mensen op vastlopen, dus we zetten het scherp neer.
Hier zit een hardnekkig misverstand. Veel mensen denken dat de automaat afslaat omdat er "te veel watt" op de groep zit. Dat klopt hier meestal niet. De piek duurt milliseconden en is op uw kWh-meter nauwelijks zichtbaar; qua energie stelt hij weinig voor. U kunt dus ruim binnen het vermogen van een groep blijven en tóch de automaat eruit zien klappen. Het gaat niet om het gemiddelde verbruik, maar om die korte, hoge stroompiek op het inschakelmoment.
Een tweede beveiliging die soms meedoet, is de aardlekschakelaar. Een felle inschakelpiek kan ook een gevoelige aardlekschakelaar ongewenst laten afschakelen, zeker als meerdere apparaten tegelijk starten. Het gevolg is hetzelfde: u doet iets aan, en de groep (of de halve meterkast) valt uit.
Het vervelende is dat het onvoorspelbaar aanvoelt. De ene keer gaat het goed, de andere keer niet. Dat komt doordat de piek afhangt van het exacte moment op de netspanning waarop u inschakelt, en van hoeveel apparaten precies tegelijk opstarten.
Wegwijzer
Wat is uw situatie?
Kies wat het dichtst bij uw geval ligt. U krijgt meteen de richting van de oplossing en een vervolgstap.
LED-drivers vragen op het inschakelmoment samen even een hoge stroompiek. Die piek duurt milliseconden, maar komt net boven de drempel van uw automaat uit. Het gaat dus niet om te veel watt. De oplossing is meestal een passende automaatkarakteristiek of een inschakelstroombegrenzer, en dat kiest een elektricien zonder de beveiliging te verzwakken.
Wij kijken graag met u meeBij veel armaturen op een groep telt de gezamenlijke piek snel op. Dan helpt het om de belasting over meer groepen te verdelen, een inschakelstroombegrenzer te plaatsen, of de zones met een kleine vertraging na elkaar te laten opkomen. In een bedrijfspand is dit vaak maatwerk. Wij bekijken uw installatie en stellen een passende aanpak voor.
Vraag vrijblijvend een offerte aanEen motor of pomp trekt bij het starten veel meer stroom dan tijdens het draaien, en een trafo geeft op het inschakelmoment een piek. Die aanloopstroom houdt langer aan dan bij LED. Oplossingen zijn een geschikte automaatkarakteristiek of een aanloopvoorziening, zoals een softstart of ster-driehoekschakeling. Laat een elektricien bepalen wat bij uw apparaat en installatie past.
Leg uw situatie aan ons voorUw keuze verandert niets aan uw installatie. De wegwijzer stuurt u alleen naar de juiste richting en een vervolgstap.
Het verschil in één zin: een inschakelstroom is een normale, kortstondige piek die vanzelf voorbij is, een kortsluiting is een echte fout die blijft bestaan tot hij wordt onderbroken. Ze lijken op elkaar op het inschakelmoment, maar het zijn twee heel verschillende dingen.
De verwarring is begrijpelijk. Een lege condensator gedraagt zich op het startmoment immers heel even bijna als een kortsluiting: nauwelijks weerstand, veel stroom. Het verschil is dat dit bedoeld gedrag is dat binnen milliseconden weer over is, terwijl een echte kortsluiting een ongewenste verbinding is die niet vanzelf stopt.
Voor u als bewoner is het praktische onderscheid dit. Klapt de automaat er alleen uit op het moment dat u iets aanzet, en blijft alles daarna gewoon werken zodra u de groep weer inschakelt? Dan wijst dat op inschakelstroom. Klapt de automaat er direct weer uit, ook zonder dat u iets aanzet, of ruikt u een schroeilucht? Dan denkt u eerder aan een echte fout, en is het verstandig niet zelf te blijven proberen.
De oplossing is bijna nooit "een zwaardere automaat erin draaien", maar het slim opvangen of verdelen van de piek. Er zijn een paar beproefde routes, en welke past, hangt af van uw situatie.
1. Een andere karakteristiek (B naar C, soms D). Automaten bestaan in karakteristieken die verschillen in hoe snel ze magnetisch ingrijpen. Een B-automaat laat een piek van ongeveer drie tot vijf keer de nominale stroom toe, een C-automaat ongeveer vijf tot tien keer, en een D-automaat nog meer (bedoeld voor motoren en trafo's). Voor lichtgroepen met veel LED wordt daarom vaak een C-automaat gekozen in plaats van een B.
Let hier op een veelgemaakte fout. Een C-automaat laat de piek beter door, maar grijpt óók pas bij een hogere stroom in bij een échte kortsluiting. Op lange of dunne leidingen moet dan opnieuw gecontroleerd worden of de installatie bij een fout nog snel genoeg uitschakelt. Zomaar ruilen zonder die controle kan de kortsluitbeveiliging verzwakken. Dat is werk voor een vakman, die dit toetst aan de NEN 1010.
2. Een inschakelstroombegrenzer of LED-limiter. Dit is een klein onderdeel dat de piek afvlakt. Vaak zit er een NTC-weerstand in: een weerstand die koud een hoge waarde heeft en zo de eerste stroomstoot afremt, en die daarna opwarmt en zijn weerstand verlaagt zodat het apparaat normaal werkt. Zo blijft de piek binnen de perken zonder dat u aan de beveiliging zelf hoeft te sleutelen.
3. Verdelen over meer groepen. Zitten er heel veel armaturen op één groepenkast-groep, dan helpt het om de belasting te splitsen: minder armaturen per groep betekent een lagere gezamenlijke piek. In de praktijk laat men hiervoor soms een groep bij plaatsen. Een veelgehoorde vuistregel is dat vanaf ongeveer tien LED-armaturen per groep een maatregel nodig kan zijn, maar dat hangt sterk af van de drivers.
4. Gefaseerd inschakelen en geschikt schakelmateriaal. In grotere installaties laat men zones met een kleine vertraging na elkaar opkomen, zodat niet alles tegelijk piekt. Ook kiest men relais en contactoren die tegen een hoge inschakelstroom kunnen, en bij gevoelige aardlekbeveiliging soms een type dat piekstromen beter verdraagt.
Schakel een elektricien in zodra u aan de beveiliging in de meterkast zou moeten werken, of als u niet zeker weet waar het uitvallen vandaan komt. De grens is simpel: het gewone gebruik van uw apparaten mag u prima zelf doen, maar de groepenkast is geen plek om te experimenteren.
Vervang dus niet zelf een B-automaat door een zwaardere of een C, in de hoop dat het "dan wel goed komt". Zoals hierboven bleek, kan dat de kortsluitbeveiliging van die groep juist verzwakken, en dat merkt u pas als het echt misgaat. Een elektricien beoordeelt of het aan de inschakelstroom ligt of aan iets anders, en kiest een oplossing die de veiligheid heel laat.
Twijfelt u of het bij u om een onschuldige inschakelpiek gaat of om een beginnende storing? Blijf dan niet eindeloos de automaat terugzetten. Herhaald schakelen kan op den duur de contacten van schakelaars en relais laten inbranden, en bij een echte fout wilt u niet dat de installatie onbeschermd blijft. Laat het liever een keer goed nakijken.
Een vaste prijs is er niet, want de oplossing verschilt per situatie. Soms is het een kleine ingreep, soms hoort het bij een grotere aanpassing van de kast. Wat de prijs bepaalt, kunnen we wel op een rij zetten:
Wilt u weten wat een oplossing in úw situatie kost? Vraag dan vrijblijvend een offerte aan, dan kijken we samen wat past.
Veelgestelde vragen
Bijna altijd door de inschakelstroom van uw LED-verlichting. Op het moment dat u aanzet, vragen de drivers samen heel even een hoge stroompiek. Die piek duurt maar milliseconden, maar komt net boven de aanspreekwaarde van de automaat uit, waardoor die afslaat. Het gaat dus niet om te veel watt, maar om die korte piek. Een passende automaatkarakteristiek of een inschakelstroombegrenzer lost het meestal op.
Klapt uw groep er telkens uit? Wij kijken graag met u meeDaar is geen vast getal voor, want het hangt niet af van het aantal watt maar van de inschakelpiek van de gebruikte drivers. Twee zware drivers kunnen al meer piek geven dan tien lichte. Een veelgehoorde vuistregel is dat u vanaf ongeveer tien armaturen op één groep moet gaan opletten, maar de datasheet van de armatuur (met de piekstroom) is leidend. Bij twijfel verdeelt u ze over meer groepen.
Zijn uw lichtgroepen goed verdeeld? Doe de gratis groepenkast-checkNiet automatisch. Een C-automaat laat een hogere piek toe dan een B, dus bij LED helpt dat vaak. Maar hij grijpt óók pas bij een hogere stroom in bij een echte kortsluiting, en op lange of dunne leidingen moet dan gecontroleerd worden of de installatie nog snel genoeg uitschakelt. Bij héél veel armaturen is zelfs een C soms te weinig en is een begrenzer of extra groep nodig. Het is dus geen wondermiddel dat u zomaar zelf plaatst.
Wilt u zeker weten dat de beveiliging klopt? Stel uw vraagVoor uw veiligheid valt het meestal mee: het is normaal, kortstondig gedrag. Maar herhaald in- en uitschakelen kan op den duur de contacten van schakelaars en relais laten inbranden of vastlassen, en op oude installaties met dunne geleiders telt de piek wel mee. Blijf de automaat dus niet eindeloos terugzetten, maar laat de oorzaak nakijken als het vaak gebeurt.
Vaak last van uitschakelen? Wij denken graag meeDat raden wij af. Een zwaardere of andere automaat kan de kortsluit- en overbelastingsbeveiliging van die groep verzwakken, en of dat mag hangt af van de leiding en de norm (NEN 1010). Werk aan de groepenkast hoort bij een erkende elektricien, die de juiste oplossing kiest zonder de veiligheid in te leveren. Zelf de automaat wisselen lijkt goedkoop, maar kan u later duur komen te staan.
Laat het veilig nakijken. Neem contact op